In de bijbel heeft het zalven verschillende functies. Het kan een cosmetisch doel dienen, maar vaak heeft het ook een geestelijke betekenis. In de oudheid werd zalven algemeen gezien als een vorm van lichaamsreiniging. Zo functioneert het bijvoorbeeld in 2 Samuel 12:20. Na het overlijden van zijn eerstgeborene stopt David met zijn boetedoening: hij wrijft zich in met olie en pakt zo het leven weer op. In de bergrede maant Jezus zijn leerlingen hun gezicht te wassen en hun hoofd in te wrijven met olie wanneer ze vasten (Matteus 6:17). Naast dit algemene gebruik is zalven een manier om iets of iemand te heiligen. In het oude testament zalft men mensen of dingen om ze te bestemmen voor de dienst aan God of als herinnering voor Gods aanwezigheid. Zo giet Jacob na zijn nachtelijke droom over de ladder waarlangs engelen omhoog gaan en afdalen, olie over de steen in Betel (Genesis 28:18).
Zalfolie op zichzelf heeft geen enkele kracht en is absoluut geen wondermiddel. De kracht gaat uit van de autoriteit die God aan het gebruik hiervan verbind, waarmee God onze gehoorzaamheid aan Hem dus feitelijk kracht bij zet.